Bovenschools fonds: een motor voor gelijke kansen?
Een belangrijk doel van het onderwijs is om bij te dragen aan gelijke kansen voor alle kinderen. Toch hangt het aanbod van extra activiteiten soms af van de portemonnee van ouders. Excursies, culturele uitstapjes en schoolreizen worden namelijk vaak betaald uit de vrijwillige ouderbijdrage. Het resultaat is een onderwijsaanbod dat tussen scholen sterk uiteenloopt.
Want waar de ene school relatief veel ouderbijdragen ontvangt en daardoor een breed aanbod kan organiseren, heeft de andere school daar te weinig middelen voor. Tegen die achtergrond rijst de vraag: kan dat eerlijker? In opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verkenden we de mogelijkheden van een zogenoemd ‘bovenschools fonds’: een manier om (een deel van) de ouderbijdragen te bundelen en te verdelen tussen scholen. AEF’er Jarit Lekanne gezegd Deprez vertelt wat de oprichting van zo’n fonds in de praktijk zou kunnen betekenen voor scholen, ouders en leerlingen.
Voor we beginnen: wat is een bovenschools fonds?
Jarit: "Het idee achter een bovenschools fonds is eenvoudig. Op dit moment verzamelt en besteedt iedere school de vrijwillige ouderbijdrage zelf. Bij een bovenschools fonds breng je (een deel van) die bijdragen samen, bijvoorbeeld op het niveau van een schoolbestuur of gemeente. Vanuit dat gezamenlijke fonds verdeel je het geld vervolgens weer eerlijk over alle scholen, afgestemd op het aantal leerlingen."
"Het doel daarvan is om de verschillen in mogelijkheden voor scholen te verkleinen. Scholen die nu weinig middelen hebben, krijgen via het fonds meer ruimte om activiteiten te organiseren. En scholen die nu veel ophalen, dragen daar een deel van af. Op die manier zetten scholen samen een belangrijke stap richting meer kansengelijkheid voor alle leerlingen."
Wat was de belangrijkste vraag vanuit het ministerie?
"Voor het ministerie was de vraag: kunnen we de verschillen tussen scholen en leerlingen verkleinen zonder het vrijwillige karakter van de ouderbijdrage los te laten? Een bovenschools fonds is dan een interessante optie. Je verandert niet de basis van het systeem, maar wel de manier waarop de middelen worden verdeeld. Wat deze vraag voor mij interessant maakt, is dat het raakt aan iets fundamenteels: in hoeverre zijn we bereid om middelen te delen, ook als dat niet direct in het voordeel is van je eigen kind of school?"
Hoe hebben jullie die vraag onderzocht?
"Voor ons was het belangrijk om zowel de cijfers als het gedrag van mensen te begrijpen. We zijn begonnen met interviews met gemeenten, schoolbesturen en andere betrokken partijen. Daarin ging het veel over ervaringen: wat merken jullie van spanningen rondom kansengelijkheid, hoe gaan jullie hiermee om en wat kan hierin nog worden verbeterd?"
"Daarnaast hebben we enquêtes uitgezet onder ouders en schoolbesturen. Hiermee konden we concreet in kaart brengen wat er gebeurt als je een bovenschools fonds invoert. Blijven ouders bijvoorbeeld nog betalen als er maar 50% of zelfs 25% van hun bijdrage naar hun eigen kind of school ging? Aan schoolbesturen vroegen we hoe zij aankeken tegen deelname aan zo’n fonds. Dat deden we zowel bij scholen die er mogelijk op vooruit zouden gaan, als bij scholen die juist een deel van hun middelen zouden moeten afstaan voor een eerlijkere verdeling. Naast enquêtes en interviewdata hebben we bestaand (wetenschappelijk) onderzoek bestudeerd. Die combinatie gaf een duidelijk beeld. Je ziet niet alleen hoe mensen in de basis over zo’n idee denken, maar ook hoe ze waarschijnlijk zullen handelen. En juist dat laatste is belangrijk.”
En? Is een bovenschools fonds een werkbaar alternatief?
"Het belangrijkste inzicht is dat een bovenschools fonds niet automatisch leidt tot meer middelen, eerder het tegenovergestelde. We zagen dat de bereidheid van ouders om te betalen snel afneemt zodra hun bijdrage niet meer direct naar (de school van) hun eigen kind gaat. En dit effect is groot: zelfs als maar een klein deel van de bijdrage wordt herverdeeld, betalen minder ouders. Dat zou leiden tot minder beschikbare middelen voor activiteiten in plaats van méér."
"Daarnaast zagen we dat scholen verschillend over het onderwerp denken. Scholen die nu weinig ouderbijdragen ontvangen, zien – niet verrassend – vaker kansen in een fonds. Voor hen biedt het de mogelijkheid om meer te kunnen organiseren. Maar scholen die nu relatief veel ophalen, zijn terughoudender. Een belangrijk punt dat hierin naar voren kwam, is dat scholen enerzijds bereid zijn om te delen, maar anderzijds de extra activiteiten die zij nu uit deze middelen financieren zien als een belangrijk onderdeel van hun onderwijsconcept. Als herverdeling van het geld die ruimte beperkt, wordt deelname aan een fonds voor hen minder aantrekkelijk. Dit laat zien dat een oplossing die op papier logisch lijkt, in de praktijk kan botsen met belangen en afwegingen van betrokkenen."
Waarom werkt een bovenschools fonds niet vanzelf?
"Dat heeft veel te maken met hoe dichtbij of ver weg iets voelt. Ouders zijn vaak bereid om bij te dragen aan de school van hun eigen kind. Ze zien wat er gebeurt met dat geld, en voelen zich daardoor betrokken. Zodra de bijdrage wordt verdeeld over meerdere scholen, wordt het abstracter. De link tussen bijdrage en wat ermee gebeurt, is minder direct. En dat beïnvloedt gedrag, terwijl dat niet betekent dat de ouders niet bereid zijn om bij te dragen aan gelijke kansen."
"De stelling dat een bovenschools fonds niet werkt, is te makkelijk. In Utrecht is een scholenkoepel recent met een vergelijkbaar fonds gestart waarvan de oprichters verwachten dat het wél gaat werken. Dat fonds is breder ingericht: niet alleen ouders kunnen bijdragen, maar bijvoorbeeld ook opa’s en oma’s, buren en zelfs bedrijven. Ook drijft het fonds op gemeentelijke subsidie. Daarmee wordt het minder afhankelijk van één geldstroom en ontstaat er zelfs een soort bredere betrokkenheid. Dat laat wat mij betreft zien dat er wel degelijk mogelijkheden zijn, maar dat het succes sterk afhangt van hoe je het organiseert en wie je erbij betrekt."
Tot slot: welke les neem je uit dit onderzoek mee naar andere projecten?
"Een belangrijke les is: gedrag moet vanaf het begin een onderdeel zijn van de aanpak. Het is verleidelijk om te denken in systemen en structuren: als we het zo organiseren, dan wordt het eerlijker. Maar uiteindelijk bepaalt het gedrag van mensen of het werkt. Je moet dus altijd kijken naar hoe mensen zullen reageren én handelen in een situatie. Wat betekent het voor hen? Wat motiveert hen? En waar zitten twijfels of weerstand? Dat maakt dit vraagstuk zo interessant: op papier een vraag over het herverdelen van financiële middelen, maar in de praktijk een vraagstuk vol met interessante menselijke gedragingen."