Funderend onderwijs, is het toereikend?
In hoeverre is het budget van scholen toereikend om aan alle verwachtingen van de Inspectie, politiek en maatschappij te kunnen voldoen? En hoe komt het dat de ene school beter presteert dan de ander, met in principe dezelfde middelen?
Onderwijs is het fundament van onze kenniseconomie en de toekomst van onze kinderen. In de afgelopen decennia heeft goed onderwijs Nederland een sterke uitgangspositie gebracht: in 2019 werd Nederland door het World Economic Forum uitgeroepen tot de sterkste economie van Europa. Ook behoren onze kinderen tot de gelukkigste van Europa.
De basis onder druk
Dit fundament staat echter onder druk. Waar Nederland voorheen een van de beste onderwijssystemen van Europa kende, is dat niet langer het geval. Ook als we enkel kijken naar Nederland zijn de onderwijsresultaten afgenomen. Daarnaast zien we nu uitdagingen als het lerarentekort, de veranderende leerlingenpopulatie en de onderinvestering in onderwijshuisvesting. Wat zijn de oorzaken van deze trend en wat kan Nederland doen om dit tij te keren?
Om deze vragen te beantwoorden deed AEF in samenwerking met McKinsey onderzoek naar de toereikendheid en doelmatige besteding van middelen in het funderend onderwijs. In het onderzoek wordt gekeken of in het Nederlandse basis-, voortgezet- en speciaal onderwijs (samen het funderend onderwijs) voldoende wordt geïnvesteerd om aan de verwachtingen die aan scholen gesteld worden te voldoen (‘toereikend’), en of dit geld effectief en efficiënt (‘doelmatig’) wordt besteed. Dit deden we aan de hand van grondig casusonderzoek bij ruim veertig scholen. Ook formuleerden we handelingsperspectieven voor schoolleiders en OCW.
Verschil in doelmatigheid
Wat we zagen? Uit ons onderzoek blijkt dat de bekostiging die scholen ontvangen slechts toereikend is om met een ‘voldoende’ te worden beoordeeld door de Inspectie van het Onderwijs, wat een relatief lage eis is. De bekostiging is ontoereikend om aan de additionele verwachtingen die aan scholen gesteld worden en aan de ambities van scholen zelf te voldoen. Op nationaal niveau is de bekostiging ontoereikend om de eerdergenoemde uitdagingen te adresseren, scholen te ondersteunen, een hogere ambitie waar te maken, en het verschil tussen scholen te verkleinen.
Ook is er potentie om de uitgaven aan het Nederlands funderend onderwijs beter in te zetten en efficiëntiewinsten te behalen. Met betrekking tot de doelmatigheid zijn er weinig landen waar de verschillen in onderwijsresultaten tussen scholen zo groot zijn als in Nederland, ook als scholen een vergelijkbare bekostiging per leerling ontvangen. Dit onderzoek wijst uit dat dit verschil niet verklaard wordt door de uitgaven of de context van de school, maar door de dagelijkse keuzes die schoolbestuurders, schoolleiders en leraren maken.
Met een gerichte, additionele en structurele investering van €0,7-1,5 miljard per jaar in het ondersteunen van scholen en het adresseren van de uitdagingen is het mogelijk de doelmatigheid te vergroten en een hogere ambitie te realiseren. Hiermee kan het Nederlands funderend onderwijs weer van wereldklasse worden.
De uitkomsten van het onderzoek zijn in april 2020 naar de Tweede kamer gestuurd.